Perenbezoek

>>| Dit verhaal is afkomstig uit het boek De biografie van een vaarweg

Een verlaten bankje. Zichtbaar aangetast door het weer staat het te wachten aan de dijkweg langs het Eemskanaal bij Opwierde. Het is een ouderwets model, voor zover je dat kunt zeggen van bankjes in de openbare ruimte. Ik ga erop zitten en glij mee in de richting waarin het in de loop van de jaren weggezakt is. Lekker lui, dat wel. En: uitzicht op de wolken. Om naar het kanaal te kijken, is het bankje niet echt geschikt. Ik kan terugzwaaien naar de rietstengels, zacht ruisend met hun pluimen, op de grens van land en water. Of staren naar het asfalt, dat er gehavend bij ligt. Door krachtige boomwortels is het wegdek gaan bewegen.
Het is een rustige dag, de eerste van september. Een keer per uur een auto, wat fietsers en wandelaars. Een meisje met haar hondje, twee vriendinnen op skates. Alsof het landschap stiekem op de kalender heeft gekeken, wordt de datum kracht bijgezet met weersomstandigheden die het najaar vol trots willen binnenhalen. De zon levert al uren een gevecht met de wolken en wanneer het licht zo nu en dan bijna onmerkbaar door het wolkenpak steekt, verraden de populieren aan de kant van het dijkweggetje onmiddellijk wat er aan de hand is. Kleine strakke schaduwen van bladeren en takjes verschieten op de basten.

Beneden werkt een vrouw in haar groentetuin. Met gebogen rug beweegt ze zich langs boerenkool, tuinbonen en andijvie. Onverstoorbaar wroet ze in de grond. Het zou een tot leven gewekt schilderij kunnen zijn, honderd jaar geleden gemaakt door een van de leden van De Ploeg. Een arbeidster. Ze woont in een rood huis met een rood schuurtje ernaast. Eigen baksteen eerst was waarschijnlijk het credo ten tijde van de bouw. Groningse klei, rijk aan ijzer, wordt rood als je het bakt.Niet ver van het huis, naast de kanaaldijk, staat een plaatsnaambord: opwierde. Zwarte letters op een wit vlak, met een zwarte rand erom. Ooit was Opwierde een apart dorpje, nu is het een buitenwijk van Appingedam. Om de boerenkool fladderen een paar citroenvlinders achter elkaar aan. Dan draait de vrouw zich om. Ze recht haar rug en kijkt naar de lucht. Het regent nog net niet. Ze zwaait naar boven.

Voordat ze naast me komt zitten, slaat ze ter begroeting op mijn schouder. Verwonderd dat ze zonder dat ik het zag de tuin heeft verlaten en ook nog ongemerkt de dijk op is gelopen, schik ik in. Samen genieten we van het uitzicht.
‘Ben je wel eens in Amerika of Canada geweest?’ Ineens vraagt ze het, zomaar.
We turen over het riet naar de overkant. Alsof daar Canada ligt. Of Amerika. In de verte sjokt een schaap langs een maïsveld. Achter hem volgt langzaam een kleine kudde.
‘Het moet prachtig wezen daar, in Canada,’ zegt ze bedachtzaam.
Van wie zou ze gehoord hebben dat het daar zo prachtig is? Ik vraag me af hoeveel boeren en arbeiders de afgelopen eeuw het avontuur zijn aangegaan om de reis naar de overkant van de oceaan te maken en er een nieuw leven te beginnen. Alles achterlaten en emigreren. Lotsverbetering. Maar zonder garantie. Wie niet vertrekt, bespaart zich alle mogelijke missers ergens anders. En kan blijven verlangen. De troost van de overkant.
Boven het kanaal vliegt richting Delfzijl een aalscholver.
‘Mooie vogel,’ zeg ik.
‘Vind je dat?’ Er klinkt verbazing in haar stem.
‘Ja, mooi groot. En zwart.’
‘Ja,’ zegt ze en kijkt het dier na in zijn vlucht. ‘Misschien heb je wel gelijk.’
De blaadjes aan de bomen knisperen in de wind. Het geluid van de stilte, een kalme aanhoudende ruis. Soms zwak, dan weer aanzwellend. Een schitterend applaus voor het landschap. We zwijgen en luisteren. Als er een boot van Rijkswaterstaat langsvaart, staan we op. Het is stil op het kanaal. Het water moet zijn deining vooral hebben van een paar pleziervaartuigen. Zo nu en dan klotst het tegen de kant als een vrachtschip het kanaal doorklieft. Zoals de Ecliptica, uit Lemmer. En, veel later, uit Amsterdam, de Orion. Prachtnamen. Eigenlijk hadden ze ruimteschepen willen zijn. Stemmig ronkend schuiven ze langs. Vanuit de lager gelegen omgeving lijkt het alsof ze door de lucht reizen.

Niet ver van het kanaal staat in het oude dorp een kerkje, oorspronkelijk uit de dertiende eeuw. Het contrast met de standaard nieuwbouwwijk die ernaast uit de grond gestampt wordt, kan niet groter zijn. De kerk is het hoogste punt in de omgeving, eromheen ligt een begraafplaats. Afgesleten grafstenen met gebeeldhouwde slangen die in hun staart bijten, tonen de verdwenen geschiedenis van Opwierde. Hier ligt het stoflijk overschot in ’t stille graf ter neder; maar mocht haar zielle zijn bij God dan was haar heengaan vrede staat op het graf van Ettje Kiel, weduwe van Tjaardt Klimp. Na haar man tientallen jaren te hebben overleefd, stierf ze op 92-jarige leeftijd in 1907. Zij was getuige van het geweldige karwei dat het graven van het kanaal ongetwijfeld geweest moet zijn. Toen het in 1875 klaar was, zag ze de eerste schepen Opwierde passeren over de nieuwe kaarsrechte vaarweg.
Naast de bank staat een hek waarachter zich een weelderig zachtgroen grastapijt uitstrekt. Het ziet er onbelopen uit. Er is sowieso al een tijdje niemand meer langs geweest.
‘Rustig hier,’ zeg ik om even van de stilte af te zijn.
‘Er gebeurt hier niet zo veel.’ Ze zucht. ‘Een keer in de zoveel tijd komen er van die grote machines om te maaien. Dat gaat heel snel. Van die monsterachtige machines zijn het.’
Voor iemand die aan een met mensenhanden gemaakt kanaal woont en zelf de hele dag met de handen in de aarde zit, zijn maaimachines natuurlijk taboe. Zeker als ze monsterlijk groot zijn.
Het moeten echt de enige voertuigen zijn die in de buurt van het bankje komen, want de weg loopt dood. Gelukkig is er de overkant. Als je het even niet meer weet, kijk je daarheen.
‘Is het niet treurig,’ vraag ik, ‘als straks de maïs is afgehaald en het veld helemaal zwart is?’ Iemand had me verteld dat de kale velden in de winter deze omgeving een tamelijk sombere aanblik geven.
Ze schudt haar hoofd, wil haar schouders ophalen. Het deert haar niet.
Een zwart schaap kijkt nieuwsgierig vanaf de andere kant van het kanaal in onze richting. Hij begint te blaten. Andere schapen gaan meedoen. Het lijkt erop dat ze elkaar proberen te overstemmen. Het heeft iets weg van een mannenkoor dat de stembanden soepel maakt voor een optreden. Een beetje leven in de brouwerij, dat schapengezang. Dan verschijnt aan de horizon een man met een emmer. Zo hard mogelijk rennen de dieren op hem af. Hij schudt met zijn emmer totdat alle schapen om hem heen staan. Hij telt ze twee keer. Daarna mogen ze mee.

Aan mijn voeten liggen twee plastic tassen vol peren. De ene is egaal blauw, op de andere staat Alles moet op-ruiming. Dat was de reden waarom ze ineens voor me stond. Perenbezoek.
‘Ze zijn lekker, hoor,’ verzekert ze me. Haar plat-Groningse accent geeft haar iets meisjesachtigs.
‘Hartstikke bedankt,’ zeg ik, wat ik daarna nog een paar keer herhaal. Ik merk dat ik het oprecht waardeer dat ik verrast word met tien kilo peren.
‘Kijk,’ ze wijst naar een reusachtige fruitboom naast haar huis, ‘allemaal van dat ene boompje dat daar staat.’
Ze trekt een nerveuze grimas. Of ik een mesje bij me heb om de peren te schillen. Heb ik. Een zakmes. De peren, net van de natte grond geraapt, zijn nogal wormstekig, maar wat doet het ertoe. Straks maar eens proeven.
Als ze weer opstapt om in de tuin verder te werken, wenst ze me een goede reis. Voor straks, terug naar de stad. We schudden elkaar de hand. Ik voel een laag klei, vastgekoekt in een handpalm. Een aardkorst. Ze grijnst een beetje. Als ze de weg af wandelt, denk ik dat ze het misschien wel hilarisch vindt dat mensen in steden wonen.

———
Perenbezoek door Ilona Verhoeven
In: 84 biografen schrijven. Biografie van de vaarweg Lemmer – Delfzijl
———

Advertenties