Als je niet keek, was het de lucht die piepte

airportLucht, misschien. Wat er wel is
en wat niet, iets
om mee adem te halen.
Vulling. Vervulling.
Vulsel. Vol
is vol, zorg dat je erbij bent.
Het wordt iets er tussenin waarschijnlijk
als het blanco –

Bestaat er zoiets als een blanco
in het schrijven,
zo blanco als een onbeschreven vel of een
computerscherm dat wel beeld heeft maar
waarop niets te zien is,
niet een gewoon ‘wit’,
maar een mooiere variant,
een opwekkende leegte. Een blanco dat wacht,
er klaar voor is –

Zo gingen de gedachten, onze gedachten.

We staarden naar de boomtoppen,
hoog boven zweefden vier haviken.
In het stukje wit, de hemel, zoals we de ruimte tussen
de bomen noemden.
Een familie haviken, ja, we dachten, een familie.
We zeiden het niet,
we zeiden niets. We luisterden
naar de vogels, die hoge tonen uitstootten.
Als je niet keek, was het de lucht die piepte.

Een dag,
gewoon een dag, dat je tussendoor
schrijven kon,
gewoon schrijven,
omdat er verder niets anders te doen stond
dan hoogstens wachten.
Het leven is een wachtkamer,
op de achtergrond een zucht op de bank,
Joseph Roth, zei ik, de zucht aanhorend –
de dag was ermee begonnen.
De dag werd af en aan gevuld
met wachten. Op de trein, op de bus.
En later op het vliegtuig.

Wie veel vliegt, wacht ook veel,
misschien wel het meest van allemaal.
Er staat nogal wat te doen wat dat aangaat:
wachten voor de douane, wachten
voor de gate, eerst nog wachten
tot je naar de gate toe mag,
wachten op koffie, wachten tot het tijd is om wijn te drinken, hoewel,
niet iedereen trekt zich iets aan van tijd,
als de zon maar schijnt
genieten van het panorama-terras, waarom niet;
het is minstens zo mooi als een Italiaanse piazza.

Er landt een privé-jet. Er kan aardig wat lawaai geproduceerd
door zo’n klein ding – voor het lawaai hoef je het je niet te laten, vliegen
in een privé-jet.
Het is warm, gedachten dwalen af.
Intussen stroomt een vliegtuig leeg.

Overal lopen mensen,
ze stappen stevig voort.