Papier hier

IMG_4743

Het vrijdagverkeer raast door de straat. De warmte van het zonlicht dat door het raam schijnt. Overal zijn ramen, behalve rechts. Daarom staar ik soms naar links, of voor me uit.

Ze zeggen dat het goed voor je is, of nou, als niet voor jou, dan toch, goed. Om uit het raam te staren. Wat moeten ze toch met dat goed?

Wie goed doet, wie goed ontmoet. Goed dat er politie is. Melk is goed voor elk. Goed je te zien. Goedemorgen. Goedertieren. Er zijn veel mensen die alles maar goed vinden. Goediebeks. Kun je overal mee naar toe nemen.

De woorden zijn ook overal. Behalve als je ze nodig hebt. Dan blijven ze onder je toetsenbord zitten. Achter de letters. Nou, ik zal ze krijgen. Of nee, ik ga het ze vertellen. Dat het goed voor ze is mee te staren, uit dat raam.

Een belofte. Krijgen ze erbij. Dat ze mee mogen lezen. Over wat er te zien is.

Moi je joue.

Het schijnt dat er robots zijn die kunnen schrijven.
Natuurlijk zijn er robots die kunnen schrijven.
Je zou ze aan een ongeletterde moeten geven. Niet aan een ervaren schrijver.

Een eeuwig onervaren schrijver,
dat zou wat zijn.
Dat zou wat wezen.
Het wezen. Het wezen wat.

Wat

Wat zeldzaam is.
Wat tijd kost.
Wat troost geeft.
Wat licht is.
Wat het tegenovergestelde van dat alles is.
Wat niet verloren gaat.
Wat korrelig is.
Wat de lucht samenpakt.
Wat de morgen breekt (als brood), zoals in een lied over de eerste keer (dat het morgen werd).
Wat het begin is.
Wat een experiment is.
Wat niet een nieuwe computer betreft.
Eerder een pak nieuwe sokken (3 halen, 2 betalen).
Wat nergens te koop is.
Wat langzaam is.
Wat niemand wil.
Meer wil.
Wat draagt.
Wat licht valt.
Wat zonder zorgen.

Wat een park vol sprookjes is.

Een gedicht dat zich wijdverspreid heeft: papier hier.

Een plek om te recreëren.
Is recreëren een overdoen van creëren?

Halleluja voor de dag dat de heer ons zijn vrouw voorstelt!
Zij woont in een grote stad en draagt een herenhoed, eronder een maatpak. Ze leeft niet meer, men kent haar toch heel goed. Voorlopig nog wel, bij naam.
Niemand zegt haar naam meer.

Tussen uitspraak en uitgedacht zit een moeilijk begaanbaar bergpad.

Mijn liefste, ik zat aan je te denken.

Ze heeft ogen als halve manen, waarin vossen weerspiegelen, wilde dieren die bijna ongemerkt en wiebelend vlug een stille vierbaans snelweg oversteken.

Vroeger kende iedereen het gezelschap, vol van vossen, dat zich als een optocht voortbewoog.
Het stond op oude foto’s, evenals de achtergrond-waar-tegen. Achteraf klopt de achtergrond altijd, ja, achteraf.

Je kon erheen reizen, als een dorp dat zich thuisvoelt.

Een oude man, bij een rivier,
boven de huizen veegt hij het strand
zijn robot opent de ramen,
knikt
een ja met een nek vol lucht,
geknipper
met waterige ogen,
alles
een goedkeuring.