De nachtwind roert zich zingend

Langs regels komen. Een zin zien, horen of lezen, en weten dat ‘er iets in zit’. Je ergens in herkennen, iets interessant vinden, dóór willen lezen.
Niet weten waarom, voelen waarom.
Vorige week pakte ik in een boekwinkel een bestseller uit de kast, het ging over hoe je boeken moet lezen. Er stond niet op ‘zo moet het’, maar de titel impliceerde dat de auteur het absoluut wist. De auteur deed het op een bepaalde manier en het boek zou de lezer wijzer maken als het ging om hoe je boeken moet lezen. Ik bladerde eens wat door de betreffende uitgave en zag een lesboek. En niet zomaar een lesboek, een kluif: talloze hoofdstukken en paragrafen vulden een inhoudsopgave die meerdere pagina’s telde.
Begrijp me niet verkeerd, ik wil best graag iets leren, en het zal vast de moeite waard zijn, het boek over lezen.

Als je nadat je zo’n boek hebt gelezen, nog zin hebt in lezen, of zelfs meer zin in lezen, dan is het denk ik een goed boek, dacht ik, en terwijl ik de associatie kreeg dat er vast al een vervolg over poëzie in de maak zou zijn, zag ik het prompt ernaast in de kast staan. Zelfde auteur, zelfde principe.

Poëzie-analyse. Een verplicht vak voor de letterkunde-student.

Het was op de rand van de nacht toen ik begon met schrijven. Schrijven is iets anders dan lezen, en toch.

Luisteren is iets anders dan zelf iets zeggen.

En toch. Een merel laat van zich horen. Ik luister. Het gaat vanzelf.

Naast het huis is een hoogste punt.

Daar zit de merel het liefst.

Het begin van een nieuwe dag. Toen de merel begon was het nog vroeg; de dag was er nog niet helemaal. Onlangs las ik een gedicht van Pablo Neruda, ik moet er nu weer aan denken. Een regel die me bijbleef: De nachtwind roert zich zingend in de hemel.

Ik vond hem terug als ‘spoken word’ bij een foto van een mooie dag, op Youtube: een video van talloze ‘foto’s van een mooie dag’ opnieuw gemaakt, jaren later.

Vannacht kan ik de treurigste verzen schrijven

Vannacht kan ik de treurigste verzen schrijven.

Bijvoorbeeld schrijven: ‘De nacht ligt aan stukken,
en blauw huiveren de sterren, in de verte.’

De nachtwind roert zich zingend in de hemel.

Vannacht kan ik de treurigste verzen schrijven.
Ik hield van haar en soms hield zij ook van mij.

In nachten als deze hield ik haar in mijn armen.
Zo vaak heb ik haar onder het eindeloze firmament gekust.

Zij hield van mij, soms hield ik ook van haar.
Hoe zou ik niet gehouden hebben van haar grote, stille ogen.

Vannacht kan ik de treurigste verzen schrijven.
Bedenken dat ik haar niet meer heb. Betreuren dat ik haar verloor.

Luisteren naar de onmetelijke nacht, onmetelijker zonder haar.
En het vers valt in de ziel als op het weiland dauw.

Wat geeft het dat mijn liefde haar niet kon behouden.
De nacht ligt aan stukken, en zij is niet bij mij.

Dat is alles. In de verte zingt een mens. In de verte.
Mijn ziel heeft met het verlies van haar geen vrede.

Alsof hij naar toe wil, zoekt mijn blik.
Mijn hart zoekt haar, maar zij is niet bij mij.

Dezelfde nacht maakt wit dezelfde bomen.
Wij, die van toen, zijn niet dezelfden meer.

Ik houd niet langer van haar, nee, maar wat hield ik van haar.
Mijn stem zocht naar de wind om aan haar oor te komen.

Een ander. Een ander zal ze toebehoren. Zoals ooit mijn lippen.
Haar stem, haar duidelijke lichaam. Haar oneindige blik.

Ik houd niet langer van haar, nee, maar misschien houd ik van haar.
De liefde duurt zo kort en zo lang duurt vergetelheid.

Omdat in nachten zoals deze ik haar in mijn armen hield,
heeft mijn ziel met het verlies van haar geen vrede.

Al is dit de laatste pijn die zij mij doet,
en al zijn dit de laatste verzen die ik voor haar schrijf.

Pablo Neruda
(vertaling Barber van de Pol)

 

 

 


tekst: Ilona Verhoeven

www.mixedmediasoup.com


 

Advertenties